| Vraag om uitleg van mevrouw Katrien Schryvers tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over de aanpak van grensoverschrijdend gedrag in de sportsector |
|
Mevrouw Katrien Schryvers: Voorzitter, minister, collega’s, op 31 maart 2011 legde een |
| Minister Philippe Muyters: Voorzitter, collega’s, ook ik wil zeggen dat ik het initiatief van de Vlaamse Sportraad erg waardeer. Het advies neem ik uiteraard mee naar elk overleg ter zake. Het zal dus zeker mee de Vlaamse beleidslijn en de uit te werken maatregelen voor de sportsector helpen bepalen. Ondertussen zijn op verschillende niveaus tal van bijkomende initiatieven opgestart en processen lopende om het probleem aan te pakken. Ik denk dat het nuttig is om daarvan een overzicht te geven. Vooreerst zijn er het eindrapport van de Kamercommissie en de hoorzitting met de sportsector. Dat laatste ligt aan de grondslag van het hele proces en uiteraard van het initiatief van de Vlaamse Sportraad. Er zijn ook een aantal adviezen van het Kinderrechtencommissariaat, aangevuld met de bevindingen uit het recente onderzoek ‘Geweld, gemeld en geteld’, dat in het Vlaams Parlement op vrijdag 23 september 2011 werd voorgesteld. Er is overlegd tussen het BOIC, de gemeenschappen en de ministers van sport, wat zal uitmonden in een symposium dat op 30 november 2011 plaatsvindt. Last but not least zijn er de beleidsdomeinoverschrijdende inspanningen die ik met mijn collega’s-ministers verantwoordelijk voor welzijn, jeugd en onderwijs heb opgestart. Het eerste resultaat daarvan vertaalde zich in een mededeling op de bijeenkomst van de Vlaamse Regering op 23 september jongstleden. Ook de Vlaamse Sportraad pleitte in zijn advies namelijk heel sterk voor een gecoördineerde en beleidsdomeinoverschrijdende aanpak. Een beleidsmatige aanpak van kindermisbruik eist zowel een sectorspecifieke als een beleidsdomeinoverschrijdende aanpak. Ik werk dus samen met de ministers van Welzijn, Onderwijs en Jeugd aan een integrale visie en aanpak van seksueel misbruik. Onder de verantwoordelijkheid van minister Vandeurzen hebben wij werk gemaakt van één centraal meldpunt voor kindergeweld, -misbruik en -mishandeling. Dit meldpunt staat open voor alle burgers. Dit meldpunt zal worden ondergebracht in de reeds bestaande dienstverleningen van de centra voor algemeen welzijnswerk en de vertrouwenscentra kindermishandeling, waarvan de werking specifiek voor deze doelstellingen zal worden aangepast. Ondertussen is er ook samenwerking met justitie. Een belangrijk referentiekader is het in samenwerking tussen Welzijn en Justitie afgesloten protocol over kindermishandeling van maart 2010. Dat protocol bevat een stappenplan dat geldt als gedragslijn voor kwalitatieve zorg in de aanpak van kindermishandeling. Wij zullen nagaan op welke wijze ook onderwijs, jeugd en sport baat hebben bij de hier gemaakte afspraken. Sectorspecifiek zal een beleid zich echter pas realiseren als elke betrokken actor binnen de samenleving zijn verantwoordelijkheid opneemt, ook binnen de sector dus. Daarom zullen de ministers van Welzijn, Onderwijs en Jeugd en ik elk in onze eigen sector en met onze specifieke partners een engagementsverklaring afsluiten. Samen met de partners op het terrein willen we bekijken hoe we risico’s kunnen vermijden. Daarom hebben we onze partners op het terrein opgeroepen drie dingen te doen: een onderbouwde visie ontwikkelen op relaties en seksualiteit binnen hun eigen context, in dit geval sport, werk maken van een instrumentarium of een toolbox om deze visie te vertalen naar concrete werkafspraken en planningen en tot slot kennis vergaren voor meer achtergrondinformatie waarop ons beleid gebaseerd kan zijn. De Vlaamse Sportfederatie (VSF) is hiermee aan de slag gegaan. Wij hebben hen daartoe opgeroepen. Dat betekent dat we met de verschillende stakeholders uit de sportsector een gecoördineerde en gemeenschappelijke aanpak uitwerken, wat voor mij moet resulteren in een door de sportsector gedragen engagementsverklaring en een actieplan met concrete maatregelen. Ik wil dat niet opleggen. We moeten op gedragen en betrokken wijze tot iets komen. Tot op heden komt de problematiek van het kindermisbruik in de sport onder de aandacht van de stakeholders via de verplichtingen opgelegd aan de erkende sportfederaties en hun clubs op basis van de uitvoeringsbesluiten van het decreet over het ethisch verantwoord sporten. Dat is relatief recent ingevoerde regelgeving. We moeten dat zeker nog verder uitdiepen. Daarbij is het doorsijpelen naar de sector ook belangrijk, zeker als het over dit thema gaat. De aansturing van de thema’s van het ethisch verantwoord sporten gebeurt door een heel brede werkgroep. Volgende actoren zijn erbij betrokken: uiteraard ons departement en specifiek het team Medisch en Ethisch Verantwoord Sporten, maar ook Bloso, de VSF, het Internationaal Centrum voor Ethiek in de Sport (ICES) en mijn kabinet. Op dit vlak hebben het beleid en de sportsector in de eerste plaats nood aan bijkomende expertise en kennis. Vooral daarin volgen we het advies van de Sportraad volledig. We hebben nood aan die expertise en kennis om gefundeerd gepaste initiatieven voor de sportsector te ontwikkelen. Daarom moet er bijkomende expertise worden aangetrokken, om onder meer op korte termijn de eerste voorstellen van actie te onderbouwen en wetenschappelijk onderzoek naar misbruik en geweld binnen de sportsector te inventariseren en eventueel bijkomend onderzoek voor de sportsector uit te voeren. Momenteel lopen er al twee kleinschalige projecten in het kader van het huidige steunpunt. Ik verwacht eerstdaags een nota van het departement over een dergelijk kenniscentrum voor ethiek in de sport en meer specifiek voor kindermisbruik. Ik heb het departement dus gevraagd een voorstel te formuleren. Dan kunnen we ook die stap zetten. |
| Uit Commissievergadering nr. C45 – CUL7 (2011-2012) van 27 oktober 2011 van het Vlaams Parlement. Geraadpleegd op http://docs.vlaamsparlement.be/docs/handelingen_commissies/2011-2012/c0m045cul7-27102011.pdf |